DE OPKOMST VAN DE MODERNE DEMOCRATIE

Het ontstaan van de moderne(Europese-) democratieën heeft eeuwen geduurd. Tot circa 1200 heerste de machthebbers op basis van absolutistische ambities. Keizers (uit het Romeinse rijk) en Koningen waren absolute alleenheersers over hun imperium. Tegenstanders werden uit de weg geruimd en opstanden werden vaak met veel geweld neergeslagen.

De eerste serieuze aantasting van deze alleen heerschappij is de “Magna Charta”, die in 1215 door Engelse koning Jan Zonder Land werd ondertekend. De Magna Charta (Latijn voor „de grote oorkonde”) begon als „De bepalingen van de baronnen”. Koning Jan hechtte zijn zegel aan dit 49 bepalingen tellende document. De daaropvolgende dagen werd het uitgebreid tot 63 bepalingen, en opnieuw bezegelde de koning het document. De her-uitvaardiging in 1217 ging vergezeld van een tweede, kleiner charter dat over bosbouwrecht ging. Van toen af ging men de bepalingen aanduiden als de Magna Charta.

De 63 bepalingen vallen uiteen in 9 groepen, waaronder die waarin wordt tegemoet gekomen aan de grieven van de baronnen, die inzake de hervorming van het recht en de rechtspleging en die over de vrijheid van de kerk. Bepaling 39, de historische basis voor de Engelse burgerlijke vrijheden, luidt: „Geen vrije mag worden gearresteerd of gevangengezet, of worden beroofd van zijn rechten of eigendommen, of buiten de wet gesteld of verbannen worden, of op enige andere wijze in zijn positie worden aangetast, noch zullen wij met geweld tegen hem optreden of anderen sturen om dat te doen, dan overeenkomstig het rechtmatig oordeel van zijn gelijken of krachtens de wet van het land.

De “Magna Carta” bepaalde onder andere dat de koning niet meer eigenmachtig kon optreden (bijvoorbeeld door belastingen te heffen), maar dat hij zijn plannen diende te overleggen met een zogenoemde “koninklijke raad”. Deze koninklijke raad zou bestaan uit twee ridders uit iedere provincie. Een andere belangrijke wijziging in de omgang tussen de monarch en het volk was dat de “Magna Carta” verbood om burgers zonder enige vorm van proces gevangen te zetten, iets wat overigens niet zou gelden voor slaven en horigen.

Met het ondertekenen van de Magna Carta werd voor het eerst in de geschiedenis vastgelegd dat niemand boven of onder de wet stond, zelfs de Koning niet! Overigens kan de koninklijke raad worden gezien als een eerste soort van parlement.

Uiteindelijk verklaarde paus Innocentius III (Anagni, 1160 – Perugia, 16 juli 1216) de Magna Carta in 1215 niet rechtsgeldig. De paus stelde dat het verdrag “onwettig”, “ongeoorloofd” en beledigend, waarna er een oorlog van twee jaar uitbrak tussen de leenmannen en het koninkrijk. Daarna belandde het verdrag een tijdlang in de “prullenbak” en werd door niemand meer echt serieus genomen.  

Ondanks de schijn dat het verdrag in de vergetelheid zou zijn geraakt, bleek de realiteit weerbarstiger. De Magna Carta zou vervolgens door de eeuwen heen de macht van de Engelse koningen meer en meer inperken, wat op den duur zou leiden tot twee burgeroorlogen (1642-45 en 1648-49).

Een van de gevolgen daarvan ondervond de katholieke Koning Karel I die absolute alleenheerschappij nastreefde. Hij werd afgezet, onthoofd en de monarchie werd afgeschaft. Hiermee ontstond de basis voor de eerste parlementaire republiek. Helaas zou daar niets van terechtkomen daar de leider van de overwinnaars, generaal Oliver Cromwell (Huntingdon, Cambridgeshire, 25 april 1599 – Londen, 3 september 1658), benoemde zichzelf na een staatsgreep in 1653 tot “Lord protector”.

In 1654 kwam een zogenaamde republikeinse grondwet tot stand met Cromwell als lord protector (landvoogd). Naast zich kreeg hij een Raad van State van 15 man. Er werd een parlement gekozen, maar toen dat na enige tijd de macht van de lord protector wilde beperken werd het ontbonden. Van 1655 tot 1657 was Cromwell in feite dictator van Engeland.

Cromwell werd de koningstitel aangeboden met als voorwaarde dat hij dan een grondwet en een tweekamerparlement zou aanvaarden. Cromwell twijfelde onder andere omdat hij zelf het koningschap had afgeschaft. Hij weigerde uiteindelijk mede onder druk van de “New Model Army”. Wel liet hij de titel van “lord protector” erfelijk verklaren, hetgeen in feite dus hetzelfde was als de titel “Koning”. Na de dood van Cromwell werd de monarchie hersteld, hoewel die veel aan macht had ingeboet.

De daadwerkelijke omslag kwam in 1707 toen Engeland en Schotland samengingen in één koninkrijk (Groot-Brittanië). De zogenaamde “Act of Union” werd aangenomen, die bepaalde dat de koning weliswaar de wetgevende macht bleef maar dat er tevens een tweekamerparlement zou worden opgericht. Dit tweekamerparlement zou bestaan uit de “House of Lords” (Hogerhuis) en de “House of Commons” (Lagerhuis). Veel democratische landen hebben tegenwoordig zo’n parlement, die – ontstaan uit het scheiden van de sociale klassen – tegemoet lijkt te komen aan de wens van “volksheerschappij”.