PLEITNOTA Mw. XXXXXXXXX / GEMEENTE EMMEN

Rechtbank Noord Nederland

Sector Algemeen Bestuursrecht

 

BEROEPSZAAK ZAAKNUMMER LEE 16/ 2624 WMO

Zittingsdatum: 20 december 2016 (10:00 uur)

Rechtbank: Assen

 

PARTIJEN

MEVROUW XXXXX XXXXXXXXX

Gemachtigde

J.M.L.G. van Goethem

(Nederlandseburgers)

 

Tegen

 

Gemeente Emmen

College van Burgemeester en wethouders

Postbus 30.001

7800 RA Emmen

 

Edelachtbare,

Emmen begint zo langzamerhand het Lourdes van de lage landen te worden. Immers uit de besluiten van de gemeente Emmen valt vast te stellen dat er zich wonderbaarlijke genezingen binnen de gemeente voltrekken, die tot gevolg hebben dat burgers van de gemeente Emmen minder zorg nodig hebben dan voorgaande jaren. Zo is ook de situatie van cliënte te omschrijven.

Edelachtbare, ik spreek over wonderbaarlijke genezingen omdat de gemeente Emmen minder uren huishoudelijke hulp/begeleiding toekent aan cliënte dan voorgaande jaren, terwijl er feitelijk geen verbetering heeft plaatsgevonden in zowel haar medische als psychische toestand. In de toestand van cliënte heeft eerder een verslechtering plaatsgevonden, getuige haar medisch dossier van de afgelopen 10 jaar.

We kunnen derhalve constateren dat er dus op korte termijn een wonder gaat gebeuren waardoor de vermindering van het aantal uren hulp (zowel huishoudelijk als begeleiding) kan worden gerechtvaardigd.

Edelachtbare, de vraag die u voorligt is of bij het bepalen van de behoeften van cliënte, de persoonskenmerken of voorkeuren zorgvuldig zijn onderzocht! Tevens dient de vraag te worden beantwoord of 25% tarief reductie rechtmatig is en ook op deze zaak van toepassing is?

Feitelijke achtergrond Mevrouw XXXXXXXXX (cliënte)

Cliënte heeft sinds haar geboorte te maken met veel beperkingen die zowel een medische als psychische achtergrond kennen. Zo is zij is gediagnostiseerd met hoge bloeddruk, suikerziekte en astma, verhoogd cholesterol, dwerggroei en pijnlijke gewrichten. Verder is er sprake van een spierziekte en heeft ze neuropathie aan haar voeten en beginnend in de handen, hierdoor is ze beperkt in het lopen. Sinds haar geboorte is er sprake van een visuele beperking, hulpvrager kan geen diepte zien ook heeft zij kokervisie en beginnende staar.

Tegelijkertijd functioneert cliënte Performaal (handelend) – met een score van 58 (95 % betrouwbaarheidsinterval 54-68) – op het niveau van licht verstandelijk beperkt. Verbaal functioneert cliënte op zwakbegaafd niveau, ze behaalt een score van 75. Op de verbale schaal scoort cliënte het laagst op ‘Begrijpen’ en het hoogst scoort cliënte op ‘Cijferreeksen’ en ‘Cijfers en Letters’ nazeggen (beiden doen een beroep op werkgeheugen).

Kortom naast een lange lijst van medische beperkingen dient cliënte ook rekening te houden met psychische beperkingen.

Nu stel ik namens cliënte in het bezwaarschift dat de gemeente een niet zorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd besluit heeft genomen. Daarbij voer ik aan dat – ondanks de inzet van een verpleegkundige van de MO-zaak – er niet wordt aangetoond dat degene die het “keukentafelgesprek” heeft gevoerd, over de juiste medische en psychische deskundigheid beschikt om een medische en psychische diagnose van cliënte te kunnen samenstellen.

De gemeente reageert hierop door te stellen dat (citaat):”juist vanwege de erkenning dat wij de medische expertise niet in huis hebben, er voor kiezen om de medische expertise via MO-Zaak in te zetten zodat u kan rekenen op een zorgvuldige beoordeling en derhalve goede motivering op basis van het afgelegde huisbezoek en dossier onderzoek”(einde citaat).

Vervolgens reageert de gemeente nog specifiek op over degene die het keukentafelgesprek heeft gevoerd met de opmerking dat (citaat):” Het feit dat mevrouw XXXXXXXX is geregistreerd in het BIG- register en dat zij werkzaam is bij MO-Zaak, maakt het aannemelijk dat mevrouw XXXXXXXX voldoende deskundig is op uw indicatiegebied. Specifiek gezien de kennis van mevrouw XXXXXXXX van de Wmo”(einde citaat).

Edelachtbare dit is een cruciaal punt. De gemeente acht het aannemelijk dat mevrouw XXXXXXXX voldoende deskundig is op het indicatiegebied van cliënte. Daarbij wordt ook gesteld dat mevrouw XXXXXXXX kennis heeft van de WMO.

Namens cliënte stel ik dat het door de gemeente Emmen gebruikte argument “aannemelijk” onvoldoende is om ervan uit te kunnen gaan dat mevrouw XXXXXXXX voldoende gekwalificeerd is om een diagnose te kunnen stellen, waaraan zoveel belangen voor cliënte hangen.

Edelachtbare, Pagina 117 memorie van toelichting WMO 2015 stelt dat(citaat):”Een zorgvuldig onderzoek is te meer van belang nu het wetsvoorstel, anders dan de AWBZ, niet voorziet in een catalogus van welomschreven voorzieningen waarop aanspraak kan worden gemaakt en het college daarmee een grote beoordelingsruimte en een grote verantwoordelijkheid heeft gekregen voor het vaststellen van de ondersteuning die aan iemand zal worden verstrekt”(einde citaat).

Nu de achtergrond van de ondersteuningsaanvraag van cliënte voor zowel de huishoudelijke hulp, de regievoering alsmede de begeleiding, ligt in de psychische en medische functioneren van cliënt, dient de beoordeling ook op basis van de inschatting van haar functioneren genomen te worden. Zoals uit de memorie van toelicht blijkt, erkent de regering het grote belang van een zorgvuldig onderzoek omdat het college een grote beoordelingsruimte en verantwoording heeft.

Het is dan ook van essentieel belang vast te stellen wie de medische- dan wel verpleegkundige diagnose heeft samengesteld – over het medische en psychische functioneren van cliënte – en heeft bepaald welke capaciteiten cliënte heeft om zelfstandig te kunnen leven en waar de ondersteuning specifiek en met welk doel moet worden gegeven.

Bovendien stelt Art. 2.3.2 lid 8 Wmo dat (citaat):”Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek”(einde citaat). Dit is in de situatie van cliënte niet gebeurd. Cliënt heeft verzocht aan de gemeente aan te tonen op grond waarvan zij haar besluit heeft genomen. De gemeente heeft hier nimmer inzage in gegeven.

Nu de gemeente slechts procedureel reageert dat mevrouw XXXXXXXX bij de MO-zaak werkt en daarmee voor haar feitelijk “de kous af is”, schiet zij tekort in het aantonen dat er sprake is van een zorgvuldig genomen besluit. Immers de MO-zaak kan wegens een tekort aan personeel een kantine juffrouw met goede contactuele eigenschappen inzetten – die nog een BIG registratie heeft van 4 jaar geleden toen ze als basisverpleegkundige op een afdeling interne geneeskunde heeft gewerkt – om de situatie van cliënte te beoordelen.

Cliënte vindt de houding van de gemeente Emmen bovendien opmerkelijk. In de memorie van toelichting van de WMO wordt 92 maal opgemerkt dat onderzoeken zorgvuldig moeten worden gedaan. Tevens zijn zowel de WGBO als de Wet BIG zijn erop gericht dat de patiënt openheid krijgt over degene die hem hulp verleent en dat de kwaliteit van zorg wordt gewaarborgd. En zoals in de procedure reeds genoemd zijn zowel Internationale verdragen als de Grondwet ook duidelijk als het gaat om de formulering van de eisen die aan de overheid worden gesteld op het gebied van de gezondheid van burgers. Kortom op papier wordt duidelijk gekozen om kwetsbare groepen in de samenleving zo goed mogelijk te beschermen. Waarom laat de gemeente Emmen deze basis uitgangspositie dan niet terugkomen in haar besluitvorming?

Beloning ZZP’er

Ten aanzien van de beloning van de hulpverleenster die als ZZP’er hulp verleent en derhalve 75% van het geldende tarief voor gecontracteerde partijen krijgt betaald, heeft uw rechtbank al een uitspraak (zaaknummer LEE 15 I 3440 WMO GROO) gedaan.

Uitgangspositie is volgens de rechtbank de vraag (citaat R.o. 6):”De vraag waar de rechtbank zich voor ziet gesteld is of met het door verweerder gehanteerde tarief, eiseres voldoende wordt gecompenseerd voor haar beperkingen zodat zij in staat is tot zelfredzaamheid of participatie”(einde citaat).

Nu heeft de gemeente Emmen een rechtszaak die door cliënte tegen haar in 2014 was aangespannen geschikt. Een van de voorwaarden in deze schikking is dat de gemeente overeenkomt dat alleen mevrouw XXX zorg mag verlenen bij cliënte.

(Citaat “Verkort Proces-verbaal zaaknummer A WB 13/662):”De gemachtigde van verweerder brengt onder meer naar voren dat zowel de schoonmaakvoorziening als de regievoering en het doen van boodschappen wordt uitgevoerd door Ingrid Grave. De schoonmaakvoorziening wordt via TSN geregeld. Indien XXXX niet meer via TSN of een ander bureau bij eiseres de toegekende schoonmaakvoorziening kan verrichten, zal het college regelen dat XXXX bij eiseres de door het college toegekende schoonmaakvoorziening kan blijven verrichten.

De gemachtigde van verweerder zegt voorts toe om bij brief TSN in te lichten dat alleen mevrouw XXXX de door het college in het kader van de WMO toegekende voorzieningen bij eiseres mag verrichten”(einde citaat).

Tevens speelt Artikel 10 (Begeleiding) van de “Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2015” een belangrijke rol. Immers de gemeente stelt hierin dat (citaat):” Begeleiding omvat door een instelling of natuurlijk persoon te verlenen activiteiten die de zelfredzaamheid en de participatie van cliënten bevorderen, behouden of compenseren. Het doel van de begeleiding is het voorkomen van opname in een instelling of verwaarlozing”(einde citaat).

Met andere woorden, de eisen die worden gesteld aan het verlenen van begeleiding en het doel van de begeleiding zijn voor grote organisaties exact hetzelfde als voor natuurlijke personen die het werk uitvoeren.

Bovendien stelt art 2.3 (De aanvraag) van de “Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2015” in het 2e punt (citaat Pagina 9):”Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening, zoals bedoeld in artikel 9 lid 5 van de verordening Wmo gemeente Emmen 2015”(einde citaat).

Samengevat ten aanzien van de tariefdifferentiatie het volgende. De beloning van mevrouw XXXX staat los van de formele tariefdifferentiatie omdat er uit de schikkingsovereenkomst een overeenkomst is ontstaan tussen cliënt, mevrouw XXXX en de gemeente Emmen. Immers de gemeente Emmen heeft zich voor onbepaalde tijd gecommitteerd om mevrouw XXXX de zorg bij cliënte te laten uitvoeren. Hier is dus sprake van een gecontracteerde partij die hulp verleend aan een burger die een beroep doet op de WMO binnen de gemeente Emmen.

Bovendien stel ik namens cliënte dat als er sprake is van 1 uitvoeringsnorm welke is verwoord in artikel 10 van de WMO verordening van de gemeente Emmen, die geldt voor zowel instellingen als natuurlijke personen en er door de gemeente wordt gecommuniceerd dat Het college de goedkoopst adequate voorziening verstrekt, alle ZZP’ers in de gemeente Emmen – waaronder mevrouw XXXX – ten onrechte worden gediscrimineerd. De gemeente kan volgens haar eigen redenering al 25% besparen op de WMO uitgaven ten aanzien van de begeleiding door alleen ZZP’ers via PGB in te zetten. Dit gebeurt echter niet.

Tevens stelt uw rechtbank in voornoemd vonnis dat (citaat):”De rechtbank is van oordeel dat deze doelstellingen van kwaliteit, kostenbeheersing en het vergoeden van daadwerkelijk te maken kosten, maken dat er onderscheid gemaakt kan worden tussen de bedoelde categorieën zorgverleners. Dat dit leidt tot een verlaging van het tarief met 25% acht de rechtbank niet onredelijk. Dat ook een ander percentage billijk zou zijn, maakt niet dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid”(einde citaat).

Deze redenatie van de rechtbank bevestigd dat het gaat om een onzorgvuldig genomen besluit immers “een ander tarief zou ook billijk kunnen zijn”! De rechtbank heeft hier na gelaten om de werking van artikel 8:69, tweede lid, Awb wat bepaalt dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult, buiten beschouwing gelaten. De rechter had hier namelijk moeten beslissen dat de gemeente met een onderbouwing komt welke voldoet aan artikel 3.46 Awb. Het is namelijk aan niemand uit te leggen dat instellingen die failliet gaan, meerdere hulpverleners per week naar 1 cliënt sturen, 25% duurder zijn dan ZZP’ers door de rechter als kwalitatief beter worden bestempeld?

Als laatste in dit kader wil ik opmerken dat de juridische redenatie in rechtsoverweging 6.2 van dit vonnis, de rechter feitelijk een onrechtmatige omkering van de bewijslast toepast. De rechter stelt dat (citaat):” Voorts is gesteld noch gebleken dat het uurtarief van € 33,15 (75% van € 44,20) zoals dat voor 2015 aan eiseres is toegekend, voor mevrouw XXXX geen kostendekkend tarief zou zijn en dat hiervoor de vastgestelde individuele begeleiding van 4-6,9 uur per week niet ook daadwerkelijk bij haar zou kunnen worden ingekocht”(einde citaat).

De discussie of cliënte genoeg geld krijgt om mevrouw XXXX in te huren en of dit tarief voldoende is voor mevrouw XXXX , is een omkering van bewijslast. Mevrouw XXXX zou moeten onderbouwen dat de niet onderbouwde korting van 25% rechtvaardig is. Dat is in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, maar zoals eerder ook al gesteld de Internationale Verdragen, de Grondwet, de Awb, en de bevoegdheid van de rechter.

Conclusie

Afrondend wil ik namens cliënte het navolgende concluderen. Mevrouw XXXXXXXXX is sinds haar jeugd afhankelijk van ondersteuning van de overheid ten aanzien van het deelnemen in de maatschappij. Haar situatie is chronisch en zal niet beter maar eerder slechter worden daar waar het de medische en psychische aandoeningen aangaat. Dan is het wonderlijk dat de gemeente Emmen de afgelopen jaren iedere keer opnieuw een volledige nieuwe aanvraag laat doen en niet slechts vraagt om de veranderingen van het afgelopen jaar via de medisch specialisten, GGZ en de Huisarts toe te laten zenden. De conclusie die ik namens cliënte hieraan verbind is dat de gemeente af wil van de overeenkomst die op 4 april 2014 is ontstaan.

Daarnaast zijn de besluiten van de gemeente Emmen zeer opmerkelijk, immers:

  1. In 2013 krijgt cliënt 3 uur huishoudelijke hulp en 2 uur regie voering;
  2. In 2014 krijgt cliënt wederom 3 uur huishoudelijke hulp en 2 uur regie voering;
  3. In 2015 krijgt cliënt 5 uur huishoudelijke hulp en 4-6,9 uur regie/begeleiding. Cliënt gebruikt in 2015, 5 uur gemiddeld aan regie/begeleiding;
  4. In 2016 krijgt cliënt 3 uur huishoudelijke hulp, 2 uur regie en 3 uur begeleiding.

Uit de toegekende uren blijkt dat er in 2016 een korting van 2 tot 3,9 uur op de huishoudelijke hulp heeft doorgevoerd. De wettelijke bepalingen aan de gemeente Emmen zijn in die periode niet gewijzigd. Daarnaast heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald dat huishoudelijke hulp een individuele taak is die onder de gemeentelijke verantwoording valt en dat er een zorgvuldige analyse van de zaak dient te worden gemaakt.

Navraag naar de feitelijke gronden waarop de gemeente tot haar conclusie is gekomen, worden niet beantwoord. De deskundigheid van de onderzoekster (Mw. XXXXXXXX) worden stelselmatig achtergehouden en de zorgvuldigheid van het besluit wordt niet feitelijk onderbouwd.

Kortom cliënte stelt:

  1. De gemeente Emmen laat na te bewijzen dat de onderzoekster mw. XXXXXXXX deskundig is om een medische en psychische diagnose over cliënt op te stellen. Tevens is de gezondheidssituatie van cliënte niet verbeterd, eerder iets achteruit gegaan;
  2. De gemeente heeft derhalve een niet zorgvuldig besluit genomen ten aanzien van het doorvoeren van een korting op de uren! Deze korting dient met terugwerkende kracht te worden teruggedraaid;
  3. Ten aanzien van de door uw rechtbank in het voornoemde vonnis aangevoerde keuzevrijheid van cliënte het volgende. Er is geen keuzevrijheid in degene die zorg komt verlenen daar er al in 2014 een overeenkomst met de gemeente Emmen is gesloten die mevrouw XXXX hiervoor aanwijst;
  4. Ten aanzien van de beloning van de hulpverlener van cliënte – mevrouw XXXX – stel ik dat mevrouw XXXX een gecontracteerde partij is, waaraan de gemeente Emmen zich in 2014 middels de schikking bij de rechtbank heeft gecommitteerd. De korting kan dus niet op haar van toepassing zijn;
  5. Mocht uw rechtbank hieraan voorbij gaan, stel ik namens cliënte dat er nog steeds een ongerechtvaardigde tarief differentiatie wordt gemaakt die GEEN wettelijke basis kent. Hierbij dient u de “lekenbescherming” voortvloeiend uit art 8:69 lid 2 toe te passen ten aanzien van de aangevoerde argumenten, de Internationale Verdragen, het legitimiteitsvereiste, de Grondwet, de ABBB en artikel 9 lid 5 van de verordening Wmo gemeente Emmen 2015. Deze ongerechtvaardigde niet onderbouwde korting welke volgens uw rechtbank ook een ander percentage kan zijn, dient met terugwerkende kracht ongedaan te worden gemaakt;
  6. Ten aanzien van de aanvragen van cliënte voor WMO ondersteuning welke cliënt jaarlijks moet doen, wil ik uw rechtbank in overweging geven mee te wegen dat – ondanks de levenslange medische en psychische geschiedenis van cliënte – het ieder jaar opnieuw laten beoordelen of en in welke mate cliënte ondersteuning van de gemeente Emmen op grond van de WMO krijgt, heel veel stres veroorzaakt. Zeker ook omdat dit altijd net voor de feestdagen gebeurd. Cliënt verzoekt uw rechtbank de gemeente op te dragen dit op een andere manier in te kleuren, door bijvoorbeeld een meerjaarlijks besluit af te geven.

Cliënt gaat ervan uit dat alle stukken welke in procedure zijn gebracht zullen worden meegewogen in uw besluit.

Dank voor uw aandacht.

admin

Click Here to Leave a Comment Below

Leave a Comment: