ONTSTAAN VAN DE NEDERLANDSE DEMOCRATIE

In de loop der eeuwen waren er in Engeland dus inmiddels een aantal rechten en vrijheden verworven, waar echter nog maar een minderheid van kon genieten. Ook in de Republiek der Verenigde Nederlanden bestond er in die periode al een vergadering van afgevaardigden van de verschillende gewesten, die als de hoogste politieke instantie beschouwd werd. Deze, de Staten-Generaal, bestond behalve uit deze gedelegeerden -edelen en rijke handelslieden- ook uit o.a. de Raadspensionaris en de Stadhouder. De laatste had geen stemrecht in de besluiten, maar zou er wel degelijk invloed op uitoefenen.

Sinds 1798 had de Bataafse Republiek (1795-1801) een grondwet naar Frans model waarin in een scheiding van de machten en een beperkt kiesrecht was voorzien. In 1814 werd die aangepast aan het feit dat het land na een eeuwenlang republikeins verleden voor een monarchistische staatsvorm was gezwicht. De nieuwe koning, Willem I, wist daarin de macht van de Staten-Generaal flink in te boeten. Die werd nu wel voor het eerst in twee verschillende kamers opgesplitst. De koning kreeg echter de wetgevende macht.

Nadat het Congres van Wenen had bepaald dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden als één staat en onder één koning moesten worden verenigd zou vooral blijken dat beide gebieden te ver uit elkaar waren gegroeid. Ontevreden met hun nieuwe situatie riepen in 1830 de Zuidelijke Nederlanden zichzelf uit tot een onafhankelijke staat, België. In datzelfde jaar werd een grondwet opgesteld, die bepaalde dat het land een constitutionele monarchie zou zijn. Pas in 1839 zou Willem I, na jaren van militair geweld, in Londen het zg. Scheidingsverdrag aanvaarden.

Onder Willem II kwam er in 1840 een nieuwe Nederlandse grondwet, waarin echter weinig veranderde ten opzichte van die van 1814. Toen acht jaar later in Frankrijk en Duitsland revoluties uitbraken dacht de koning uit angst dat die op zijn eigen volk zouden overslaan dat het toch beter zou zijn om de staatsman Johan Rudolph Thorbecke opdracht te geven om deze grondwet te herzien. Deze herziening zou de basis leggen voor de huidige parlementaire democratie in ons land. In het vervolg zouden de ministers, en niet de koning, verantwoordelijk zijn voor het beleid, en de Tweede Kamer zou rechtstreeks gekozen worden. Er kwam echter nog niet meteen een algemeen kiesrecht. Alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting (census) konden betalen, mochten stemmen. Een algemeen kiesrecht -voor mannen althans- zou pas ingevoerd worden in 1917.

admin

Click Here to Leave a Comment Below

Leave a Comment: