Archive
Monthly Archives: november 2016

DE ROL VAN DE POLITIEKE PARTIJEN

DE ROL VAN DE POLITIEKE PARTIJEN IN NEDERLAND 

Politieke partijen zijn veelal gevormd door maatschappelijke ontwikkelingen. Zo zijn er een aantal nog direct te koppelen aan de verzuiling in de maatschappij van de jaren ’40, ’50 en ’60 (PvdA, VVD, CDA enz.). Andere politieke partijen zijn een protest tegen deze oude “verzuilde” partijen – gevoed door protest gevoelens uit de samenleving – die vaak op basis van hun partijcultuur naar binnen gericht zijn en de aansluiting met de samenleving meer en meer verliezen (SP, PVV, D66).

De rol van politieke partijen als belangrijkste zelfstandig besturende macht is door de jaren heen steeds groter geworden. Er is een cultuur ontstaan waarin men vanuit de eigen organisatie plannen ontwikkeld die intern worden beoordeeld (waarbij diverse aan de partijen gerelateerde wetenschappelijke bureaus er hun mening over mogen geven). Er vindt nauwelijks toetsing van de plannen onder de bevolking plaats.  

Ook in absolute zin is het kiesstelsel zo ingericht dat een kleine minderheid van de bevolking bepaalt hoe het land wordt geregeerd. Verkiezingen worden gehouden op basis van partijprogramma’s. In deze programma’s zijn de standpunten van een partij opgenomen. Deze programma’s komen tot stand door gesprekken binnen de politieke partij (soms op verschillende niveaus). De ideologische basis van de politieke partij is het fundament van waaruit geschreven wordt. De keuzes die echter gemaakt worden ten aanzien van de actuele onderwerpen in het partij programma worden grotendeels door de meest invloedrijke personen in de partij genomen. Hoe deze personen aan die invloed komen of dat zij ter zake kundig zijn, kan niet worden vastgesteld.

Het partijprogramma wordt vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de leden van de politieke partij, die het over het algemeen goedkeuren zonder dat er wijzigingen gemaakt worden. De kandidatenlijst wordt eveneens door de leden van de politieke partij opgesteld

In Nederland zijn er in totaal (2015) circa 295.326 leden verdeeld over circa 25 partijen en zijn er 12.696.193 stemgerechtigden. Dit betekent concreet dat 2,33% van de stemgerechtigden bepaalt wat en wie er gekozen worden. Als daarbij de interne cultuur van partijen in ogenschouw genomen wordt – waar vaak fractieleiders en besturen bepalend zijn voor de keuzes – dan wordt het democratische gehalte van de keuzemogelijkheden die worden voorgeschoteld wel heel erg klein.

DE NEDERLANDSE SITUATIE

DE NEDERLANDSE SITUATIE

Bij de Grondwetsherziening van Thorbecke i in 1848 werden rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer ingevoerd. De Tweede Kamerleden werden vanaf 1849 via een meerderheidsstelsel in districten gekozen. Het betrof het een stelsel waarbij een absolute meerderheid vereist was om te worden gekozen. Dat stelsel bleef tot 1917 bestaan.

De Eerste Kamer, waarvan de leden tot dan toe door de koning werden benoemd, werd voortaan via getrapte verkiezingen gekozen.

Thorbecke schreef die herziening in 1848 “noodgedwongen” van de grondwet uit 1814 met name uit de angst van Willem II had voor mogelijke volksopstanden. Om die opstanden te voorkomen was het zijns inziens noodzakelijk afstand te doen van (een deel van -) de absolute macht die vorsten tot die tijd hadden gehad.

Het uiteindelijke resultaat anno 2015 is een parlementaire democratie binnen een constitutionele monarchie en een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Nederland is een consensusdemocratie, waarbinnen de politieke instituties gericht zijn op een brede consensus tussen politieke actoren.

EVOLUERING NAAR PARTIJCRATIE

DE REPRESENTATIEVE DEMOCRATIE IS GEËVOLUEERD IN DE PARTICRATIE

Inmiddels zijn de westerse democratieën geëvolueerd tot particratieën. Een particratie is een democratie waar de politieke partijen de macht hebben. Het grootste verschil tussen de eerste werkende democratieën (Griekenland) en de huidige westerse particratieën is het kiesstelsel en de invloed van de individuele burger op het te voeren beleid.

In een particratie kunnen politieke partijen (verenigingen) maar ook individuen deelnemen aan de verkiezingen. Het is echter hoogst ongebruikelijk dat een persoon zich individueel verkiesbaar stelt, waardoor de verkiesbare plekken feitelijk alleen door politieke partijen wordt gedomineerd (immers zij zijn die enige die deelnemen aan verkiezingen). Deze politieke partijen bepalen wie er verkiesbaar wordt gesteld en geven in een partijprogramma aan in welke richting zij een land willen ontwikkelen. Zowel op het partijprogramma als op de verkiesbare personen hebben burgers weinig tot geen invloed.

De beperkte invloed van burgers op de verkiesbare personen vloeit voort uit procedures voor het samenstellen van de kandidatenlijst van een politieke partij. Als voorbeeld Nederland, waar het gebruikelijk is dat het partijbestuur een kandidatencommissie benoemt. Deze kandidatencommissie gaat op zoek naar geschikte kandidaten (vaak uit de eigen gelederen van de partij) en beoordeeld hun kwaliteiten. Op basis hiervan stelt de kandidatencommissie een concept kandidatenlijst voor aan het partijcongres dat hier wijzigingen op kan indienen.

Uiteindelijk keurt het congres de lijst als geheel toe. Soms wordt de lijsttrekker in een aparte procedure benoemd worden, zoals een ledenreferendum (dit is in Nederland het geval bij de PvdA, de VVD en GroenLinks) of legt de kandidatencommissie geen volgorde vast. Bij sommige partijen hebben de leden direct, of via provinciale afdelingen veel invloed op de volgorde van de lijst.

Ten aanzien van het partijprogramma – een document van politieke partijen waarin zij haar standpunten en plannen beschrijft – is de invloed van burgers nog beperkter. Het partijprogramma wordt door een interne commissie geschreven die een beeld geven van de partij filosofie/ideologie, hetgeen een interpretatie is van de koers die een partij voert.

  1. Iedere verkiezingen komt er op het partijprogramma een aanvulling welke hele specifieke en actuele onderwerpen bevat die voor de verkiezingen belangrijk zijn om te laten zien waar een partij staat. Dit document krijgt de status van verkiezingsprogramma.

Deze verkiezingsprogramma’s worden opgesteld voor verkiezingen op elk niveau: zowel Europees, nationaal als provinciaal, gemeentelijk, enzovoort. In de verkiezingsprogramma’s krijgen burgers ook een presentatie van politici waarop kan worden gestemd.

Het partij/verkiezingsprogramma wordt aan het bestuur van partijen voorgelegd en kan in de gehele procedure feitelijk niet worden beïnvloed door burgers die geen lid zijn van de partij.

In de uitvoering van de werkzaamheden kenmerkt een particratie zich door de partij- of fractiediscipline. Dit is het vermogen van een fractie van een politieke partij om haar leden het beleid van het partijleiderschap te laten ondersteunen.

In parlementaire democratieën slaat het begrip meestal op de controle die partijleiders over de wetgevende macht hebben. In Nederland worden de Tweede Kamerleden bijvoorbeeld geacht om met het meerderheidsstandpunt van hun fractie mee te stemmen, ook in gevallen waar zij het er zelf eigenlijk niet mee eens zijn. De partij- of fractiediscipline staat haaks op het principe van stemmen zonder last welke in de grondwet is verankerd. Hierin wordt gesteld dat volksvertegenwoordigers zich niet mogen laten opdragen in een stemming een bepaald standpunt in te nemen.

Overigens zie je ook vaak dat particratie vaak in een adem wordt genoemd met de democratie, hoewel het een volledig ander model is. De basis van de particratie wordt gevormd door enerzijds de partij ideologie en anderzijds bij de uitvoering door de partijdiscipline.

DE REPRESENTATIEVE DEMOCRATIE

DE DIRECTE DEMOCRATIE

In Griekenland waar de oorspronkelijke vorm van democratie vandaan komt, bestond de directe democratie. Directe democratie is gebaseerd op het recht van burgers die aan vooraf geformuleerde eisen voldoen (bijvoorbeeld meerderjarig zijn), om zich over nationale/regionale en lokale vraagstukken te mogen uitspreken. De absolute meerderheid van stemmen, is de basis voor het te nemen besluit. Met andere woorden een besluit wordt genomen op basis van 50% + 1 stem.

Er zijn in het verleden filosofen geweest die waarschuwde voor de neveneffecten van de directe democratie. Een van de belangrijkste waarschuwingen betrof de angst voor de “Tirannie van de meerderheid”, zoals beschreven door Alexis de Tocqueville (1805-1859). Hij schreef dat “de aller-individueelste burger moet inzien dat het hem alleen maar goed kan gaan als de gemeenschap floreert. “Welbegrepen eigenbelang is daarbij het sleutelbegrip”. Daarmee bedoelt Tocqueville het omgekeerde van kortzichtig egoïsme. Tocqueville vond ook dat met eens in de vier jaar stemmen voor je eigenbelang, je er dus niet bent. Sterker, wie zich als burger na de verkiezingen afzijdig houdt van de samenleving, heeft slechts de kiem gelegd voor een bureaucratie die als onkruid ieders privédomein overwoekert.”

In een systeem zonder vertegenwoordigers, zoals bijvoorbeeld aangehangen door Akiva Orr, is er geen rol weggelegd voor politieke partijen en een parlement. De Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (Genève, 28 juni 1712 – Ermenonville, 2 juli 1778) was een groot voorstander van de directe democratie. De Volksvergadering is een vorm van directe democratie, die onder andere toegepast werd in Athene (de Ekklesia), Zwitserland (de Landsgemeinde), Noord-Amerika (de Town-meeting) en het voormalige Joegoslavië (het bedrijfsradenstelsel). 

De meest gebruikte westerse democratie is de representatieve democratie

De representatieve democratie – parlementaire democratie – is ontstaan als praktische oplossing voor de democratische staatsvorm in de meeste westerse landen. Vanwege de beperkte communicatiemiddelen, het groeien van het aantal inwoners in landen en de duur van het besluitvormingsproces, was het praktisch onmogelijk dat iedereen direct over elk onderwerp kon mee beslissen.

Naast verschillen in het aantal afgevaardigden, het aantal huizen van afgevaardigden bestaat ook hier een verschil in kiesstelsels. Diverse landen zijn verdeeld in districten die elk een winnaar als afgevaardigde sturen (Bijvoorbeeld Engeland of Frankrijk), terwijl in andere landen de zetels op grond van de algehele verkiezingsuitslag worden verdeeld.

De kieswet bepaalt in representatieve democratieën welke bevoegdheden het volk voor welke periode overdraagt aan de gekozen afgevaardigden. Onder deze bevoegdheden bevinden zich het recht om wetten te mogen maken, beleid te mogen maken voor de richting waarin het land zich ontwikkeld en de vertegenwoordiging van een land bij internationale situaties.

Ter voorkoming van misbruik van deze overdracht van macht is vooraf een termijn afgesproken die in de meeste landen 4 jaar is. Daarna moeten er weer verkiezingen gehouden worden. Daarnaast zijn er grondrechten die misbruik van de gedelegeerde macht moeten voorkomen. Deze grondrechten zijn o.a. vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van pers.

OPKOMST PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE

OPKOMST VAN DE EERSTE PARLEMENTAIRE DEMOCRATIEËN

Waar de 19de eeuw in Europa begon met een terugkeer naar de monarchie zou ze eindigen met de opkomst van verschillende vormen van een parlementaire democratie. Dat ging gepaard met repressie en opstanden. Bij de parlementaire democratie draagt het volk zijn wettelijk vastgestelde macht over aan mensen die hen in het parlement vertegenwoordigen.

Soorten democratieën

Democratieën hebben zich door culturele invloeden op verschillende manieren ontwikkeld. In de aansturing zie je verschillen op het gebied van de hoeveelheid afgevaardigden. Zo hebben sommige landen een enkel huis van afgevaardigden terwijl andere landen zowel een huis van afgevaardigden als een senaat hebben.

Kiezen gebeurt ook op verschillende manieren. In diverse landen kent men een kiessysteem dat voor een deel indirect is, waarbij niet de stemmers, maar de afgevaardigden een vertegenwoordiger kiezen. Een voorbeeld hiervan is het kiezen van de Eerste Kamer in Nederland of de manier waarop in Duitsland de direct gekozen afgevaardigden de indirect gekozen president kiezen.

 

ONTSTAAN NL DEMOCRATIE

ONTSTAAN VAN DE NEDERLANDSE DEMOCRATIE

In de loop der eeuwen waren er in Engeland dus inmiddels een aantal rechten en vrijheden verworven, waar echter nog maar een minderheid van kon genieten. Ook in de Republiek der Verenigde Nederlanden bestond er in die periode al een vergadering van afgevaardigden van de verschillende gewesten, die als de hoogste politieke instantie beschouwd werd. Deze, de Staten-Generaal, bestond behalve uit deze gedelegeerden -edelen en rijke handelslieden- ook uit o.a. de Raadspensionaris en de Stadhouder. De laatste had geen stemrecht in de besluiten, maar zou er wel degelijk invloed op uitoefenen.

Sinds 1798 had de Bataafse Republiek (1795-1801) een grondwet naar Frans model waarin in een scheiding van de machten en een beperkt kiesrecht was voorzien. In 1814 werd die aangepast aan het feit dat het land na een eeuwenlang republikeins verleden voor een monarchistische staatsvorm was gezwicht. De nieuwe koning, Willem I, wist daarin de macht van de Staten-Generaal flink in te boeten. Die werd nu wel voor het eerst in twee verschillende kamers opgesplitst. De koning kreeg echter de wetgevende macht.

Nadat het Congres van Wenen had bepaald dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden als één staat en onder één koning moesten worden verenigd zou vooral blijken dat beide gebieden te ver uit elkaar waren gegroeid. Ontevreden met hun nieuwe situatie riepen in 1830 de Zuidelijke Nederlanden zichzelf uit tot een onafhankelijke staat, België. In datzelfde jaar werd een grondwet opgesteld, die bepaalde dat het land een constitutionele monarchie zou zijn. Pas in 1839 zou Willem I, na jaren van militair geweld, in Londen het zg. Scheidingsverdrag aanvaarden.

Onder Willem II kwam er in 1840 een nieuwe Nederlandse grondwet, waarin echter weinig veranderde ten opzichte van die van 1814. Toen acht jaar later in Frankrijk en Duitsland revoluties uitbraken dacht de koning uit angst dat die op zijn eigen volk zouden overslaan dat het toch beter zou zijn om de staatsman Johan Rudolph Thorbecke opdracht te geven om deze grondwet te herzien. Deze herziening zou de basis leggen voor de huidige parlementaire democratie in ons land. In het vervolg zouden de ministers, en niet de koning, verantwoordelijk zijn voor het beleid, en de Tweede Kamer zou rechtstreeks gekozen worden. Er kwam echter nog niet meteen een algemeen kiesrecht. Alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting (census) konden betalen, mochten stemmen. Een algemeen kiesrecht -voor mannen althans- zou pas ingevoerd worden in 1917.